(Deze blogpost is ook te lezen op mijn blog https://hildehuisman.home.blog/2020/01/23/huisbezoek/

Een sombere stem begroet mij door de intercom als ik heb aangebeld. Ik antwoord en noem vriendelijk en opgewekt mijn naam. De zoemer opent de deur en ik beklim de vier trappen naar haar etage, waar ze aan de galerij woont met uitzicht op een al lang geleden gesloopt pand. Er groeit onkruid tussen de achtergebleven stenen.

De deur van haar apartement staat open en ik stap naar binnen in het kleine, maar gezellig ingerichte eenpersoons huishouden.

Het gaat niet zo best hoor, zegt ze bij de begroeting, terwijl haar rug wat gebogen is. Ze ziet er bleekjes en zwak uit.

86 jaar is ze. En nog altijd woont ze zelfstandig, doet zelf haar wasjes en haalt haar eigen boodschapjes. Soms vraagt ze een buurman wat fruit voor haar mee te nemen van de Turk om de hoek, “want dat is veel lekkerder dan dat van de supermarkt”. Haar dochter komt van tijd tot tijd helpen met schoonmaken, maar gisteren heeft ze zelf twee van de vier grote ramen aan de binnenzijde gelapt. Morgen doet ze de andere twee, en de buitenkant moet dan nog de volgende week. Ik prijs haar uitbundig. Ze doet elke dag als het even kan een wandeling om het ruime  parkeerterrein heen. Met de rollator, “want dan kan ik nu en dan even zitten om uit te rusten. Dan komt er soms iemand vragen of alles goed gaat… Maar landurig de winkels in, nee, dat lukt niet meer hoor, dan komt alles teveel op me af”.

We bespreken in alle rust de dagelijkse beslommeringen, de druppeltjes die ze van de huisarts moet slikken, “Waarvoor die zijn, ik heb geen idee,” zegt ze. Ze wil helemaal geen medicijnen slikken, “al die chemische rommel, dat kan toch niet goed zijn”. Maar haar kinderen willen niet dat ze de bijsluiter leest. Ze geeft hem aan mij, ik mag hem wél lezen. Op het doosje van de druppels staat alleen tekst in het Pools. Vreemd, vind ik, hoezo komen die medicijnen uit Polen? Ik lees in de – Nederlandse – bijsluiter dat de druppels bedoeld zijn tegen depressies en angsten. Merkwaardig, denk ik, nooit geweten dat ze die heeft. De reden dat ik bij haar kom is een gebrek aan energie, wat ik niet vreemd vind voor iemand van 86 Jaar, mag het een keer?

Ze heeft moeite om de juiste maat kleding te vinden in de winkel, vertelt ze. Alles slobbert vreselijk om haar magere lijf heen. Ze trekt het boordje van haar warme trui opzij en ik probeer niet te laten merken dat ik schrik van het ver uitstekende bot van haar sleutelbeen. Ik weet inmiddels dat ik niet verder hoef aan te dringen op voedzamer eten, ze doet al zo haar best om gezond te eten, ze eet al veel beter dan in het begin dat ik bij haar kwam.

Ze klaagt dat haar huisarts nooit eens belt om te vragen of alles nog goed gaat. Ik vraag me hardop af, of het niet een goed idee zou zijn als er van tijd tot tijd een wijkverpleegster langs zou komen om te polsen hoe de vlag erbij hangt? Ze denkt dat ze dat zelf kan vragen. “Oh prima, doe dat maar dan,” zeg ik. Dat belooft ze.

Ze vertelt omstandig hoe alles rondom de jaarwisseling ging met de kinderen, van wie de oudste 65 jaar is. Sommigen zien elkaar niet graag, dat zit haar niet lekker, maar ja, wat doe je eraan. Nu en dan vertel ik tussendoor  over mijn eigen familie, om te illustreren hoe ik met soms vergelijkbare situaties omga, hopend dat ze er in haar situatie wat mee kan.

Als we zo een half uur met elkaar hebben gepraat over haar doen en laten en hoe ze zo door het leven wandelt, wil ze graag een behandeling. 

Ik sta op en geef haar een stoelbehandeling die ook een half uur duurt. Ze geniet van de warmte en geeft me aan waar ik meer of minder moet geven, want dit hier is teveel en dat daar is te weinig. Zo heeft ze het na de vorige behandelingen ervaren.

Na afloop zegt ze blij:”Nu heb ik vleugels en kan ik alles weer aan!”

De metamorfose binnen dat ene uur verbaast me iedere keer weer. Als ze me uitlaat, staat er een opgewekte, levendig lachende vrouw met een rechte rug bij de deur. Haar ogen flonkeren. Heel anders dan toen ze me een uur eerder binnenliet. 

Bij de deur naar het trapportaal keer ik me nog eens om en daar staat ze, zoals altijd, om me uit te zwaaien. “Dag, tot de volgende keer!”